De hoofdstukken 40-55 uit het bijbelboek Jesaja behoren tot de bekendste en geliefdste teksten van het Oude, of Eerste, Testament. De schepper ervan wordt beschouwd als de grootste dichter van de Hebreeuwse Bijbel. Sinds lang werden deze teksten echter niet meer toegeschreven aan de profeet Jesaja zelf, die leefde in de achtste eeuw voor Christus, maar aan een auteur uit de Babylonische ballingschap (zesde eeuw voor Christus), aangeduid als ‘Deuterojesaja’: de tweede Jesaja.
Inmiddels heeft deze hypothese van een Deuterojesaja echter haar langste tijd gehad. Er is in Jesaja 40-55 geen sprake van het optreden van een ballingschapsprofeet en ook in de joods-christelijke traditie kent men geen ‘Deuterojesaja’. Bovendien is de idee van een anonieme ballingschapsprofeet voornamelijk ingegeven door het theologische streven om deze teksten niet over te leveren aan een anoniem schrijverscollectief. Maar ook collectieven kunnen profetisch denken en schrijven! Tegenwoordig is men het erover eens dat deze hoofdstukken te herleiden zijn tot literair geschoolde groepen, die in kringen van tempelzangers gezocht moeten worden.
Wat kunnen we leren van dit afscheid van een biografische persoon Deuterojesaja? De bijbelse tradities worden gekenmerkt door een voortdurende groei in nieuwe tijden en ruimten. Het Woord van God in synagogen en kerken heeft altijd weer nieuwe woorden nodig om vitaal en werkzaam te blijven. Daarvoor zijn mensen nodig die het Woord van God voor hun eigen tijd creatief actualiseren en aan het nageslacht doorgeven. Hiervan zijn de auteurs van Jesaja 40-55 een schitterend voorbeeld. De opdracht aan hen geldt voor alle tijden: ‘Troost, troost mijn volk!’ (Jes 40,1)
Profetie zonder profeet verscheen in samenwerking met het Titus Brandsma Instituut.
Prof.dr. Ulrich Berges studeerde theologie in Salzburg, Rome (Gregoriana en Pauselijk Bijbelinstituut) en Jeruzalem (Ecole Biblique), waar hij in 1988 summa cum laude promoveerde op het thema ‘Die Verwerfung Sauls’. Van 1998 tot 2005 was hij hoogleraar oudtestamentische exegese aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Sinds 2005 oefent hij dezelfde functie uit aan de Katholisch-Theologische Fakultät te Münster. Daarnaast is hij directeur van het Seminar für Zeit- und Religionsgeschichte des Alten Testaments.